Wat kan ik doen?

Geplaatst door

bidden2Voelt u zich soms ook wel eens machteloos door al het slechte nieuws waarmee we geconfronteerd worden? In navolging van de overdenking van vorige week over een hoopvolle toekomst, vandaag een tekst over wat wij kunnen doen om een betere wereld te bereiken. Bij deze overdenking las ik Jeremia 29:11, Psalm 105:1-4, Matteüs 17:14-20 en Romeinen 12:1-8. 

De afgelopen zomer hebben we allemaal veel te maken gekregen met afschuwelijk nieuws van over de hele wereld. Er is het zich steeds verder verspreidende ebola virus, de oorlog in Syrië die maar niet stopt, het aanhoudende geweld van ISIS, die gister alweer een onthoofdingsvideo plaatsten, en de strijd tussen Israël en Palestina. Welke krant je ook openslaat, naar welk nieuws je ook kijkt: het is één groot drama.

Nu moeten jullie weten dat ik eerder het type ben van ‘het glas is halvol dan halfleeg’. En dat ik negatief het liefst zo veel mogelijk uit de weg ga: waarom zou je namelijk jezelf alleen maar depressief maken met nieuws, terwijl je er niets aan kan doen. Maar afgelopen zomer kon ik er dan toch ook echt niet om heen. Het nieuws was overal, en ook ik moest gaan bedenken wat ik nou kon gaan doen. Of bedenken of ik iets moest doen. Omdat ik de vraag ‘wat kan ik doen’ een hele lastige vind.. en er wellicht meer mensen zijn onder u die ook op deze vraag zo geen antwoord hebben, wil ik vandaag met u mijn overwegingen delen.

Wanneer je denkt aan de vraag ‘kan ik wat doen’ ga ik meestal praktisch denken. Kan ik een collecte gaan houden voor een goed doel? Maar ja, wat bereik, je daarmee. Een andere optie, al komt die niet vaak in doopsgezinde kringen voor, is het houden van een gebedscirkel: een avond of etmaal lang bidden voor de mensen die hulp kunnen gebruiken. Een mooi initiatief, en je doet ook echt wat.. maar ik vraag me altijd af of er niet meer is wat je kan doen. En of er überhaupt iets is wat ik kan doen wat helpt. Meestal maken de erge situaties dat ik me alleen maar machteloos ga voelen.

De vraag die vandaag dan ook centraal staat is: ‘wat kan ik doen?’, ‘kan ik wat doen?’ en ‘moet ik wat doen?’ Bij al het geweld en de chaos in de wereld. En daarnaast: hoe kunnen we standvastig blijven in ons geloof in een betere wereld, terwijl het lijkt alsof het steeds slechter gaat met deze wereld?

Toen ik zo deze vragen in mij om liet gaan, kwam als eerste een tekst naar boven, die vaak gebruikt wordt door één van mijn favoriete auteurs. Zij schrijft christelijke boeken, waarmee ze mensen probeert te bemoedigen. Centraal staat vaak Jeremia 29:11 ‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven.”

Hoewel de woorden in Jeremia 29 natuurlijk gericht zijn op het volk in ballingschap, kunnen deze woorden in principe worden doorgetrokken tot in de huidige tijd. Door het hele Oude Testament heen, wordt het volk van God verzekerd dat er voor hun een hoopvolle toekomst staat te wachten. Het enige wat er van hen verwacht wordt dan, is dat zij zich wenden tot God en zich houden aan zijn 10 geboden. God zegt echter ook: als jullie me zoeken, dan zullen jullie me vinden als dit ten minste met hart en ziel gebeurt. Dan zal in het lot van de mensen een keer komen. Met andere woorden: zolang wij met heel ons hart God zoeken, dan zal onze toekomst uiteindelijk hoopvol zijn. 

Deze eerste lezing: gericht op de hoopvolle toekomst van de mensen, heb ik verbonden met een andere tekst uit het Oude Testament: de eerste vier verzen uit Psalm 105: Loof de Heer, roep luid zijn naam. Spreek vol lof over zijn wonderen. We worden dus eigenlijk opgeroepen, om ondanks alles wat er in ons leven gebeurt, God toch te danken voor zijn zegeningen en gaven. En in combinatie met de andere tekst over de hoopvolle toekomst: komt het er op neer dat we moeten vertrouwen op God, op zijn plan met de wereld. Wij weten niet wat hij van plan is met ons, met onze levens en met die van anderen, en we moeten er in geloven dat het verloop van de wereld, en ons leven gaat zoals het moet.

Wij moeten ons verzekeren in het geloof dat er wel degelijk een toekomst voor ons en de wereld is, dat God de wereld (hoe ziek en verdorven deze momenteel ook wel eens lijkt), dat God de wereld nooit voorgoed zal laten vallen. Dit is ons al beloofd met het verbond met Noach en nog eens verstevigd door de komst van Jezus. De boodschap is dat we moeten vertrouwen op de wijsheid van God. En zoals een wijs man ooit zij: vertrouwen is geen vertrouwen en geloof is geen geloof als we op alle vragen al een antwoord wisten. Daar kunnen we het dan mee doen.

Toch ben ik met een dergelijk antwoord eigenlijk niet tevreden. Ik ben veel te veel geneigd te leven naar het doopsgezinde streven: “Daden gaan woorden te boven”. Of dit nu is door vrijwilligerswerk te doen voor Dopersduin, of mee te werken aan een daklozenmaaltijd. Ik mag graag iets doen, en iets wat daadwerkelijk effect heeft. Dus, dat het voorlopige antwoord op de vraag ‘wat kan ik doen’ was ‘vertrouwen op God dat het goed komt’, leek me toch een tikje te passief. Ik denk dat het goed is er in te vertrouwen dat een deel van wat met je leven gebeurd is gebaseerd op de mogelijkheden die ons door God gegeven zijn, en ook dat God altijd een hoopvolle toekomst voor ogen heeft voor ons en alle mensen.

Toch neemt dit niet weg, denk ik, dat het wellicht onderdeel is van Gods plan, dat wij Hem af en toe een handje helpen om die hoopvolle toekomst voor ons en anderen te bereiken. Hier komen dan de andere teksten die ik heb gebruikt om de hoek kijken. Zowel Matteüs 17:14-20, als Romeinen 12:1-8 stonden voor vandaag op het leesrooster, en passen beide eigenlijk heel goed bij mijn thema vandaag. De eerste tekst wijst ons erop dat wij moeten oppassen voor een gevoel van onmacht door een gebrek aan geloof. Met andere woorden, Jezus zegt ons dat wij nooit machteloos zijn: zolang wij een sterk geloof hebben is (bijna) alles mogelijk.

 Als ik dit vrij vertaal naar mijn (of onze) situatie, dan denk ik dat we hieruit kunnen opmaken dat er één ding is dat we altijd kunnen doen: en dat is bidden. Ons vasthouden aan het geloof dat er een God is, die ons helpt bij het maken van de juiste keuzes en die de wereld in de palm van zijn hand houdt. Ons vasthouden aan het geloof dat we bergen kunnen verzetten. Ons vasthouden aan het geloof dat wij door gebed andere mensen tot God kunnen dragen tijdens voor hun moeilijke tijden.

Toch vind ik bidden, ondanks dat het getuigt van een vast geloof en vertrouwen, toch een beetje beperkt. Ik denk dat we allemaal zoveel meer zouden kunnen doen (of wellicht komt hier mijn praktische geest heel erg naar voren, dat kan ook). En gelukkig stond daar dan ook de brief aan de Romeinen op het rooster. Deze brief begint met een oproep aan de mensen, om zich in dienst te stellen van God, wat betiteld wordt als de ‘ware eredienst’. Er wordt aan ons gevraagd ons niet aan te passen aan de wereld, maar om te ontdekken wat God van ons wil en wat hem welgevallig is.

Met andere woorden, als we wat willen doen aan de situatie in de wereld, moeten we ons niet aanpassen aan wat we zien en direct daarop reageren. Maar eerst onszelf afvragen wat God van ons wil dat we doen. Misschien is dit iets heel anders dan we zelf als eerste in gedachten hadden.

Een tweede opdracht in de brief aan de Romeinen is dat we verstandig over onszelf moeten nadenken. Dat we onszelf en ons kunnen niet moeten overschatten, maar accepteren dat we allemaal deel vormen van hetzelfde lichaam: dat iedereen zijn eigen functie en taak heeft meegekregen. Het is volgens de auteur dan ook belangrijk dat we stil staan bij de gaven die ons zijn gegeven: hebben we het talent om mensen te troosten, zet deze dan ook in, hebben we een talent voor onderwijzen, geef dan de mensen les. Bovenal is het belangrijk om dit te doen met een blijmoedige houding en volle inzet. 

Ik denk dat dit ook belangrijk is om in de gaten te houden. Als we ons afvragen, ‘wat kunnen we doen’? Dan is het wellicht belangrijker om te vragen ‘wat ligt binnen mijn talenten om te doen’. Daarnaast moeten we ons afvragen wat God wil dat we doet, waar ligt onze taak op dit gebied. Om dit te illustreren heb ik gebruik gemaakt van het lied van Marco Roelofs. Ik denk dat hij daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de gaven die hij van God heeft gekregen.

In tijden van machteloosheid en verdriet heeft hij het ‘landelijke gevoel’ omgezet in woorden en naar buiten gebracht in een toegankelijk lied. Door zijn lied hebben ouders troost gevonden, mensen een manier om hun gevoel te uiten. (Het lied is bijvoorbeeld enkele malen gebruikt op de herdenkingsdienst of begrafenis van de geïdentificeerde lichamen).

We zien hier dat het bijvoorbeeld niet nodig is, om ten tijde van crisis direct heel veel geld te doneren, we hoeven niet op stel en sprong naar het bedreigde land of volk te vliegen om daar iets te doen, en we hoeven niet taken op te vatten waar we eigenlijk niet geschikt voor zijn, om iets te kunnen bereiken. Het ‘simpel’ schrijven van een lied kan voldoende zijn, om mensen troost te bieden, om een positieve bijdrage te leveren aan een betere wereld.

Ik heb hier namelijk nog wel eens moeite mee gehad; ik ben een arme student (dus wat kan mijn 5 euro nu doen voor een betere wereld), hoewel ik wel les kan geven, ben ik niet geschikt voor het leven in een niet-europees land, dus zo kan ik ook al niet bijdragen… ik vind het heel lastig om te bedenken wat ik dan wel kan doen. De opdracht uit de Romeinenbrief leert ons dat we niet per se zo iets groots hoeven te doen. Zolang we ons afvragen welke talenten wij hebben, al is het maar de juiste woorden vinden om op een kaartje te zetten, al is het maar om oog te hebben voor de zwerver om de hoek, en een praatje aan te knopen. Wanneer we luisteren naar het plan dat God voor ons heeft, wanneer we gebruik maken van de talenten die we hebben gekregen, dat we dan al heel wat bij kunnen dragen.

Als we dan terugkeren naar de vraag waarmee ik begonnen ben: “Wat kan ik doen” Wat kan ik doen tegen de erge ziektes en oorlogen in de wereld, hoe kan ik zorgen dat mijn gevoel van machteloosheid verdwijnt? Dan zien we dat het antwoord, zoals we die in de bijbel kunnen vinden uit drie verschillende delen bestaat.

Ten eerste dat we moeten vertrouwen op het plan dat God met de wereld en met ons heeft. Dat hij ons vanaf het begin der tijden al een hoopvolle toekomst heeft beloofd, en deze ook waar zal maken. Een deel van ‘datgene wat we kunnen doen’ is eigenlijk het ‘passief vertrouwen op God’.

Het tweede deel van het antwoord wordt ons gegeven door Jezus in één van zijn vergelijkingen: als je het gevoel hebt dat je niets kunt doen, is er altijd nog het opdragen van je vragen, en het opdragen van mensen door middel van het gebed. Met een onwrikbaar geloof kunnen bergen verzet worden.

Een derde deel komt naar ons via de brief tot de Romeinen: we moeten beseffen dat we niet allemaal voor grootse zaken zijn weggelegd, maar dat we allemaal deel vormen van één lichaam, waarin elk deel zijn eigen taak, zijn eigen talent heeft. De een kan goed luisteren, de ander kan goed onderwijzen, een derde kan goed dingen in elkaar zetten. Als we ons afvragen wat we kunnen doen, is het belangrijk om ons te bezinnen op het pad dat God voor ons heeft weggelegd. (hoe we kunnen weten wat God als taak voor ons bedoeld heeft, daar zal ik het de volgende keer over hebben). Zo zal ieder zijn taak uitvoeren, en kunnen we bijdragen aan het creëren van het Koninkrijk Gods zoals dat ons door Jezus is voorgedaan.

Persoonlijk kunnen wij de problemen in de wereld niet oplossen, maar we moeten geloven dat God de wereld niet zal laten vallen, en naast bidden datgene doen, waar wij een gave voor hebben, en wat ons door God als taak is toebedeeld. Zo komt een betere wereld steeds dichterbij. Daar moeten we op blijven vertrouwen, daar moeten we in blijven geloven.

Amen.

 

Eén reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *